Als je niets te verbergen hebt waarom zou je dan iemand wantrouwen?
Recente Tweets
Laatste reacties
    Artikelen
    Foto's
    Lijst met albums
    RFID en de opsporing

    Radio-frequentie identificatie (RFID) en de opsporing

    Zeist, 10 november 2005 http://www.om.nl/over_het_om/speeches/26917/

    Speech van Mr H.N. Brouwer, voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, ter gelegenheid van het 8e eNederlandcongres te Zeist op 10 november 2005

    Twee maanden geleden werd in een bos bij Huizen een brandend lijk aangetroffen. Het lichaam lag – en ik citeer hier een krant – in een draaikast met spiegel van Ikea, type Kajak in houtfineer uitgevoerd. Ik ken de details van deze zaak verder niet. In de krant stond in elk geval dat van de daders ieder spoor ontbreekt.
     Voor dit onderzoek zou het wellicht een uitkomst zijn geweest als ergens op of in de kast een RFID met individuele productcode had gezeten. Dan had de politie bij Ikea kunnen achterhalen in welk filiaal die kast ooit is verkocht en misschien zelfs wie de koper was.

    Dat is uit een oogpunt van opsporing nog toekomstmuziek, maar heel ver weg is die toekomst ook weer niet. RFIDS worden immers steeds breder en intensiever toegepast. Zelf vind ik het een fascinerende gedachte dat in de Volksrepubliek China niet alleen een half miljoen treinwagons, maar ook alle 163 in dierentuinen levende reuzenpanda’s van een chip zijn voorzien.
    We groeien onmiskenbaar naar de situatie toe, waarin het een uitzondering wordt als een bedrijf of een organisatie helemaal geen gebruik maakt van RFIDs. Dat betekent vanzelf dat wij bij het openbaar ministerie en de politie moeten gaan nadenken wat dat voor gevolgen heeft voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

    In dat verband wil ik het over twee onderwerpen in het bijzonder hebben:
    - De RFID als instrument om criminaliteit tegen bedrijven te voorkomen.
    - De RFID als bron van informatie voor de opsporing van strafbare feiten.

    Allereerst de RFID als instrument voor bedrijven om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Laat er geen misverstand over bestaan: over de hele linie hebben ondernemers de laatste jaren veel meer aandacht aan criminaliteitspreventie geschonken. Vroeger zag je bijvoorbeeld alleen bewakingscamera’s bij geldinstellingen; tegenwoordig zijn ze gemeengoed. Hetzelfde geldt voor bewakers, detectiepoorten of encryptie van dataverkeer. Het is dan ook niet gek, dat ook de RFIDs mede voor voorkoming van criminaliteit worden ingezet. Misschien wel het belangrijkste doel van RFIDs is efficiënt voorraadbeheer. Welnu, voorkomen dat dieven of de eigen werknemers er met de spullen vandoor gaan,  is toch de ultieme vorm van voorraadbeheer, dunkt mij.
    U zult begrijpen, dat het openbaar ministerie die ontwikkeling met instemming begroet. Hoe meer preventie, hoe beter.

    Er is echter een grens aan de zelfredzaamheid die van bedrijven mag worden verwacht. Er zijn verschillende situaties waarin een ondernemer op het OM en de politie moet kunnen rekenen. Dat is bijvoorbeeld wanneer het om strafbare feiten gaat met ingrijpende gevolgen, zoals lichamelijk letsel of economische schade die het gewone bedrijfsrisico te boven gaat. Ook wanneer een bedrijf het slachtoffer wordt van georganiseerde criminaliteit,  is het niet meer dan logisch dat justitie achter de daders aan gaat.

    In die gevallen, dat strafrechtelijke handhaving gewenst is, kan het feit dat voorwerpen van RFIDs zijn voorzien, goed van pas komen.
    Om een voorbeeld te geven: wanneer wij een grote heler in de kraag vatten, is het niet altijd makkelijk om te achterhalen waar de gestolen goederen vandaan komen. Dat is anders als de partijen met RFIDs zijn gemerkt. Op die manier wordt het én eenvoudiger om de spullen bij de rechtmatige eigenaar terug te laten komen én om voor de rechter te bewijzen dat het hier gaat om door misdrijf verkregen goederen.

    Mijn tweede aandachtspunt is het gebruik van RFID-informatie voor de opsporing in het algemeen. Dit is het terrein waar ook het verhaal van de Ikea-kast van zoëven onder valt. Het bedrijf is zelf geen slachtoffer, maar het beschikt over informatie die mogelijk van dienst kan zijn bij de opheldering van strafbare feiten.
    Sherlock Holmes kon aan de hand van een voetafdruk allerlei conclusies trekken over de mens boven de voet: wat voor bepakking hij droeg, of hij oud was of jong, hoe rijk hij was, enzovoorts.
    Dankzij RFIDs hebben we daar geen Sherlock Holmes meer voor nodig. Althans in theorie is het mogelijk dat winkelvloeren worden uitgerust met RFID-lezers. Als nu de klant van een warenhuis zijn voet op zo’n vloer neerzet, kan de winkel aan de hand van een chip in zijn schoen vaststellen om welke schoen het gaat. Vervolgens kan men op basis van die informatie zien, wanneer de schoen gekocht is, met welke klantenkaart daar voor betaald is, wat voor aankopen deze klant nog meer heeft gedaan, of hij ook airmiles spaart, waar hij woont en wat zijn maten zijn. Dit alles op basis van één voetstap in een winkel.

    Traditioneel moesten wij het in het strafrecht vooral hebben van getuigenverklaringen. Als er niemand was die het delict had gezien, was er meestal geen zaak, behalve wanneer de dader zijn mond voorbijpraatte.
    Tegenwoordig is dat anders. In ons dagelijks leven laten mensen continu sporen achter en we worden er steeds beter in die sporen te vergaren en te analyseren.

    Men kan een onderscheid maken tussen  mensensporen, communicatiesporen en voorwerpsporen.
    De bekendste mensensporen zijn vingerafdrukken, het DNA in haren, huidschilfers of andere lichaamseigen stoffen. Maar bijvoorbeeld ook de opgeslagen beelden van surveillancecamera’s kunnen bewijzen dat iemand ergens geweest is.

    De tweede soort sporen die steeds belangrijker worden, zijn de communicatiesporen. We bellen mobiel, SMS-en, e-mailen, gebruiken het internet en bewaren in onze computers afschriften van onze brieven. Het is voor de gemiddelde Westerse mens al bijna onmogelijk geworden om een dag aan het maatschappelijk leven deel te nemen zonder dat dat ergens een spoor achterlaat in een bestand of een logje.

    Onder de derde categorie, voorwerpsporen, horen bijvoorbeeld vezels van kleding of verfschilfers die na een aanrijding op straat blijven liggen. Een dergelijk spoor kan allerlei aanknopingspunten bieden voor het onderzoek. Maar ook RFID-informatie is een voorwerpspoor.
    Zeker in het laatste decennium zijn wij gewild of ongewild veel meer sporen gaan produceren, dankzij de digitalisering èn door de gestage uitbreiding van de opslag- en verwerkingscapaciteit van computers. Daar komt bij dat al die bronnen van informatie steeds beter gecombineerd kunnen worden. Bij het onderzoek naar de aanslagen in de Londense metro werd bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de beelden van surveillancecamera’s, van vingerafdrukken op metrokaartjes en van het geheugen van mobiele telefoons.

    De mogelijkheden die RFIDS bieden – en vooral gáán bieden – zijn slechts een onderdeel van een brede ontwikkeling die maakt dat mensen nauwelijks meer ongemerkt door het leven kunnen gaan. Wat bijzonder is aan deze ontwikkeling, is dat het initiatief niet bij de overheid ligt, maar bij het bedrijfsleven.
    Dan geldt echter wel dat hoe meer informatie het bedrijfsleven vergaart, vastlegt en veredelt, hoe aantrekkelijker het wordt als bron voor opsporingsonderzoek. Dat is meer een wetmatigheid dan een ontwikkeling die zich laat tegenhouden.

    Ik zou hier twee opmerkingen over willen maken. Mijn eerste punt betreft de samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven bij de aanpak van misdaad. Dat is op zich natuurlijk uitstekend, alleen al omdat ik eerder heb aangegeven, dat het bedrijfsleven óók een belangrijke verantwoordelijkheid heeft bij het tegengaan van misdaad. Waar ik echter enigszins benauwd voor ben, is een vermenging van sferen.
    In de Verenigde Staten liggen de voorbeelden van hoe het hier niet zou moeten, voor het opscheppen. Er zijn bijvoorbeeld staten die de rijbewijsgegevens, inclusief foto’s, van al hun inwoners aan bedrijven hebben verkocht; Omgekeerd zijn er datamakelaars die de Amerikaanse overheid hebben voorzien van de identiteitsgegevens van complete bevolkingen van Latijns-Amerikaanse landen. Wij moeten niet toe naar een Grosse Koalition tussen overheid en bedrijfsleven waarbinnen persoonsinformatie ongecontroleerd circuleert.

    Dat sluit aan bij mijn tweede punt. Kennis schept ook verantwoordelijkheden. Naarmate meer informatie beschikbaar is over verdachten en dadergroepen, wordt ook verwacht dat wij die informatie achterhalen. Dat draagt het risico in zich van een sneeuwbaleffect, waarbij de maatvoering waartoe de rechtsstaat ons dwingt, uit het oog verloren kan worden. We krijgen nu al in terrorismezaken het verwijt dat we niet goed hebben doorgezocht naar informatie die wel beschikbaar was. Het gevolg kan zijn, dat wij (en daarmee bedoel ik de rechtshandhavende overheid in brede zin) steeds meer informatie gaan vergaren om verwijten achteraf te voorkomen.  De gedachte is dan dat er geen misdrijf zou zijn gepleegd als we van meet af aan alle beschikbare informatie over de persoon van een  veelpleger, een  vrijgekomen zedendelinquent of een terrorist, hadden vergaard en aan een grondige analyse hadden onderworpen.
    Traditioneel reageert het strafrecht pas achteraf. Eerst een strafbaar feit, daarna de opsporing. Naarmate wij in potentie meer informatie tot onze beschikking hebben over mogelijke verdachten, kan op ons via de samenleving, de media, of de politiek druk ontstaan om in een eerdere fase in te grijpen. Ik hoor het al roepen: laat die jongere niet afglijden, maar houd hem al in de gaten vanaf het moment dat hij het soort kleding koopt dat jeugdbendes plegen te dragen.
    Ik zeg niet dat dit een wenselijke trend zou zijn, integendeel, maar het is wel een logisch gevolg van het feit dat steeds meer informatie gedigitaliseerd beschikbaar komt. De diverse, elkaar versterkende technologische ontwikkelingen, zouden op den duur tot een zodanige toepassing van het strafrecht kunnen leiden, dat de checks en balances in de relatie tussen overheid en burger op dit terrein gaan verschuiven in bedenkelijke richtingen. 

    Het is heel verleidelijk om allerlei fantastische scenario’s te schetsen over het effect dat RFIDs en aanverwante technologieën op onze samenleving kunnen gaan hebben.

    Laat ik één voorbeeld noemen, het geval van meneer Turner. Turner huurt een auto en betaalt daarvoor met zijn creditcard. Turner heeft haast en rijdt een paar keer te hard. Wanneer hij onderweg wil tanken, wordt zijn creditcard niet geaccepteerd, omdat zijn kredietlimiet is overschreden. Het blijkt dat de verhuurmaatschappij zijn auto van GPS-apparatuur had voorzien. Die hield keurig de rijsnelheid van Turner bij. Ieder keer dat hij te hard reed, werd voor de zekerheid het bedrag van de te verwachten snelheidsboete afgeschreven van zijn creditcard. Op het moment dat hij ging tanken, was dat al opgelopen tot honderden dollars.

    Ik noem dit voorbeeld, omdat het geen toekomstfantasie is, maar recente geschiedenis. Het verhaal van meneer Turner speelde zich namelijk af in 2000. Het vormt de basis van een  rechtszaak (James Turner v. American Car Rental Inc.) die diende voor het Superior Court van Connecticut.

    De wereld is momenteel onmiskenbaar aan het veranderen en dat gaat ook de strafrechtspleging niet onberoerd laten. Om mij tot RFIDs te beperken: ik zie grote mogelijkheden voor de preventie en de opsporing van criminaliteit. Om die reden ben ik ook positief gestemd. Maar ik heb ook zo mijn kanttekeningen.

    Het is moeilijk om aan te geven waar precies de grens moet liggen tussen het belang van de veiligheid en dat van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Die grens verschuift, zoals we de laatste jaren hebben kunnen merken. Maar het is ook weer niet zo, dat sprake is van een homogene beweging in de richting van meer veiligheid, ten nadele van de privacy. Kijk maar naar het verzet tegen de langdurige opslag van elektronische verkeersgegevens ten behoeve van de terrorismebestrijding.
    Het is altijd een kwestie van het zoeken naar een evenwicht tussen verschillende belangen en grondrechten. Uiteindelijk komt er altijd wel een oplossing uit de bus die juridisch en maatschappelijk min of meer acceptabel wordt gevonden, maar dat kan enige tijd vergen. Dat hebben we bijvoorbeeld gezien bij het cameratoezicht in het publiek domein.
    Als ik nu zeg dat ik ook wel kanttekeningen plaats bij de opkomst van de RFID’s is dat niet omdat ik per definitie tegen ben. Geenszins, ik ben in wezen een groot voorstander.
    Bij de opsporing van strafbare feiten zullen politie en OM altijd open moeten staan voor de nieuwste technologische mogelijkheden. Ooit is voor het eerst een bandenspoor of een telegram als strafrechtelijk bewijs gebruikt. Nu werken wij met DNA-profielen, infrarood foto’s en internetlogs. RFIDs zijn wat dat betreft geen nieuws onder de zon.
    Wel zullen wij onze mensen goed moeten scholen in de mogelijkheden, die deze specifieke technologie biedt. Rechercheurs en officieren van justitie moeten weten wat RFID de opsporing te bieden heeft, welke waarborgen zij in acht moeten nemen bij het gebruik van RFID-informatie als bewijs en wat het relevante strafvorderlijke en grondwettelijke kader is. Ook dat zal enige tijd en gewenning vragen.
    Onze wereld is permanent in ontwikkeling.  De afgelopen jaren richt die ontwikkeling zich met name op de digitalisering van onze samenleving. Dat biedt ons leven grote uitdagingen; voor de strafrechtelijke handhaving in onze samenleving is dat niet anders.

    Reacties

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl